Dag 1, [a] op weg naar Vézelay

Een maand geleden is Stef Lichtveld te voet vertrokken uit Nederland. Nu nadert hij Vézelay. Vanaf daar wil hij één van de pelgrimspaden naar Santiago de Compostella volgen, de zogenaamde Via Lemovicensis. 

In de buurt van Joux-la-Ville brak die ochtend de zon eindelijk door. Dat was bijzonder toepasselijk want kort daarvoor was hij de A6, de Autoroute du Soleil, gepasseerd over een viaductje. Een symbolische grens misschien? De snelweg vormde een haastige dissonant in het gemoedelijke Franse landschap, dat met zijn schilderachtige dorpjes, vervallen kastelen en historische kerkjes soms op één groot openluchtmuseum leek. Dit was niet het Frankrijk van elegante vrouwen, haute couture en nouvelle cuisine, maar het land van plompe boerenvrouwen die landbouwtractoren bestuurden alsof het boodschappenwagentjes waren en hun man en kinderen rijke vette maaltijden voorzetten.

Hij mijmert over zijn plannen en zijn motivatie om deze trektocht te ondernemen. Als hij een pauze neemt om te lunchen, treft hij langs de weg een doodzieke man aan. Deze is er zo slecht aan toe dat hij niet kan praten. Terwijl hij wacht op de komst van een ambulance, ontfermt hij zich over een onheilspellend voorwerp dat naast de zieke in het gras ligt. Dat betreurt hij onmiddellijk wanneer ook de politie ter plaatse verschijnt. 

(Citaat uit De laatste reis van Stef Lichtveld, Deel 1, De weg van Jago: Hoofdstuk 1, Een onverwachte onderbreking; lees het hele hoofdstuk hier.)